De vierde jaargang (1965): tijd voor verandering?

"Bij het begin van de vierde jaargang" - tijdschrift Ruimten

De plotse verschijning van Pol Mara, het debuut van Herman De Coninck en het ontslag van redacteur Jan de Roek zorgt in 1965 voor een plotse ommezwaai van het blad. Bij het laatste nummer van de derde jaargang werd een briefje ingevoegd waarin de lezer geïnformeerd werd wat er in de nieuwe jaargang allemaal te gebeuren stond. Het besef dat de redactie van Ruimten het blad over een andere boeg zou gooien, blijkt uit de opsomming van enkele activiteiten. Ruimten maakt de lezer warm voor (a) een brief over het probleem van de kunstschepping met reproducties van Paul Delvaux, René Magritte en Octave Landuyt; (2) een interview met beeldhouwer Roel d'Haese en surrealist Pyke Koch; (3) een gesprek met Octave Landuyt over Salvador Dali; (4) gedichten en werk van Jo Stevens, Jan de Roek, Willem M. Roggeman en een essay over de 20ste-eeuwse literatuur. Opvallend is dat het merendeel van die aangesneden onderwerpen in de eerste plaats kunst behandelt en niet zozeer poëzie. Daarnaast belooft de redactie in de vierde jaargang een tienerbladzijde met de tophits van het ogenblik in vertaling: een mooi charmeoffensief van de nieuw-realisten om thema's uit de populaire cultuur in hun blad te verwerken.

 

 

Eén van de eerste uitgebreide artikels over kunst in dit literair plastisch tijdschrift is Het heimwee naar de mens. In de vorm van een open brief aan Jo Stevens stelt redacteur Luc Wenseleers zich één fundamentele vraag: Wat is de aandrift in de psyche van de moderne kunstenaar die hem beweegt tot het scheppen van kunst? Een vraag die zowel beantwoord kan worden door voorbeelden uit de nieuw-realistische poëzie als uit de beeldende kunsten. Wenseleers kiest voor de tweede optie: 17 pagina's lang geeft de dichter een gestaafde analyse met Paul Delvaux, René Magritte, Octave Landuyt en Pol Mara als sprekende voorbeelden.

 

 

 

 

 

Het heimwee naar de mens, - brief aan Jo Stevens

Volgens Wenseleers is de moderne kunstenaar zijn evenwicht kwijtgeraakt tussen materie en geest. Dit leidt tot waanzin. De tijdsgeest van de jaren '60 waar alles kon en mocht, had ook een keerzijde: de extreme drang naar vrijheid leidde vaak tot een drift naar bezittingen. Het grenzeloze van de ideologie botste met andere woorden met de grenzen van de mens. Dit is de eerste keer dat het nieuw-realisme een beperking voelt in de ideologie van de jaren '60. Zo komt het dat de moderne kunstenaar ziek is, omdat hij het onderscheid niet meer kent tussen de grenzen van de mens en die van de geest.

 Als Paul Delvaux de kunstenaar is van de waanzin, dan is volgens Wenseleers Octave Landuyt de kunstenaar van de inwendige mens. Vergelijkbaar met de nieuw-realistische poëzie, focust het werk van Landuyt op een deel van de werkelijkheid, om vervolgens die selectie te verwerken in zijn medium. De kunstenaar vertrekt met andere woorden vanuit een persoonlijke selectie van de realiteit. Zo zoomt Landuyt in op het menselijk lichaam. Pol Mara daarentegen focust vooral op de maatschappij, die hij vervormt tot een eigen interpretatie. Wat de kunstenaars in deze open brief met elkaar verbindt, is het menselijke aspect. 

Ondanks dit omvangrijk opstel, blijft de poëzie goed vertegenwoordigd. Jo Stevens publiceert een cyclus van 8 gedichten, Herman de Coninck schrijft twee gedichten voor Hans Lodeizen en Luc Wenseleers publiceert enkele fragmenten uit Adam & Eva en de stad, een bloemlezing over de Amerikaanse poëzie van de 20ste eeuw.