De rederijkerskamer

De rederijkerscultuur  kwam vooral voor in de middeleeuwse steden, waar de dichters samen kwamen in 'kamers' waar ze samen poëzie en toneelstukken schreven. Deelnemen aan de activiteiten in de kamers was onderhevig aan strenge regels. Zo behoorden de gedichten aan verschillende vereisten én de goedkeuring van de 'prins' van het gezelschap te voldoen.

De belangrijkste kamers in de vijftiende en zestiende eeuw waren 'de Violieren' uit Antwerpen, 'de Fonteine' uit Gent en 'de Eglentier' uit Amsterdam. 

'De Violieren' werden opgericht in de schoot van de Antwerpse Sint-Lucasgilde. Volgens een vroeg zestiende-eeuwse nota van die gilde kreeg de kamer haar naam naar aanleiding van de overwinning van de 'guldebruers' op het landjuweel te Leuven.

De naam 'Violieren' is een verwijzing naar de violet, een plant die symbool staat voor 'nederigheid' maar ook voor de 'vrijdenkerij' (het geloof in de wetenschap en de logica). De spreuk van De Violieren 'Uut Jonsten versaemt' ('verenigd door de kunsten/de kunst') duidt op de samenkomst van de Antwerpse liefhebbers der dichtkunst. 

Het blazoen van de Antwerpse kamer stelt een gouden, gevleugelde stier voor die omringd wordt door violetten. De stier staat mogelijks symbool voor de vruchtbaarheid van Jezus. 

'De Fonteine' werd opgericht in de vijftiende eeuw en werd officieel erkend door de magistraat van Gent op 9 december 1448. Het eerste bekende optreden van de kamer dateert van 1458 tijdens de intrede van Filips de Goede. In de zestiende eeuw schopte de kamer het tot 'Hoofdkamer van Vlaanderen' waardoor ze verantwoordelijk werd voor het inhuldigen van nieuwe rederijkerskamers. 

De patroonheilige van 'de Fonteine' is de Heilige Drievuldigheid, wat in het blazoen gesymboliseerd wordt door de fontein. De Heilige Drievuldigheid symboliseert in het geval van de rederijkers de verdrijving van melancholie en inspiratie. De spreuk van De Fonteine luidt 'Alst past, Bi Apetite'. 

Een van de toonaangevende Rederijkerskamers in Amsterdam was 'De Eglentier'. De kamer werd opgericht in het eerste kwart van de zestiende eeuw en trok snel grote namen aan, zoals: Laurens Reael, Roemer Visscher en Dirck Volckertszoon Coornhert.

De naam 'Eglentier' verwijst naar de wilde roos, die symbool staat voor de liefde. Het blazoen van de Amsterdamse rederijkerskamer beeldt deze wilde roos af als de crucifix, wat mogelijks staat voor de liefde voor Jezus Christus. De spreuk van 'de Eglentier' 'In Liefde Bloeyende' is een verwijzing naar de Middelnederlandse Beatrijs, waar de geliefden samen komen onder de wilde rozen.