Christine D'haen: poëzie en proza

‘Christina de Wonderbare’ werd Christine D’haen door Paul Claes genoemd. Afwisselend verklaarde zij graag een beeldende kunstenares en een filosofe geweest te zijn. Ze was echter niet meer of niet minder dan een van de grootste Nederlandstalige dichters van na de Tweede Wereldoorlog. Nadat zij in 1992 de belangrijkste literaire onderscheiding uit het Nederlandse taalgebied toegekend kreeg, de Prijs der Nederlandse Letteren, zette zij haar dichterschap onvermoeibaar voort met opmerkelijke nieuwe bundels en prozawerken. De gedichten tot en met Dantis medidatio (1998) werden gebundeld in Miroirs (2002), haar autobiografische prozaboeken in Uitgespaard zelfportret (2004). Daarna verschenen bij leven en na haar dood nog twee maal twee bundels poëzie.

Cover bloemlezing 'Ik ben genoemd Meisje en vrouw'
Cover bloemlezing 'Het geheim dat ik draag'
Cover 'De Beker van Djamsjied'

Thematiek: de tijd

In haar vroege jaren heeft Christine D’haen aan de Nederlandstalige poëzie een aantal gedichten gegeven die vaak gebloemleesd en dus klassiek geworden zijn, zoals 'De mol', ‘Daimoon megas’ en 'Zee-interludium'. D'haen introduceerde een nieuwe thematiek in de literatuur van haar tijd: die van huis en tuin, kinderspel en liefdesspel. Zij deed dat vanuit een vrouwelijk standpunt, een gezichtspunt dat zij later in een bloemlezing uit de poëzie van vrouwen (Het geheim dat ik draag, 1998) uitdiepte. Ze wedde vooral op geest en verbeelding. Via de geest alleen kan een vorm van eeuwigheid bereikt worden in de kunst. Wat er uiteindelijk door het schrijven ontstaat is een droom, de verbeelde werkelijkheid, leven in woorden. Daarom heet ook een lange cyclus uit De beker van Djamsjied naar een vers van Dante ‘In sogno trasmutai’, ‘Ik veranderde het tot droom’.

Christine D'haen leest 'De Mol'

Christine D'haen leest 'Als tijd was'

de Tijd is de Meester boven alle meesters,’ schreef ze in haar autobiografie, Uitgespaard zelfportret. De tijd die uitmondt in de dood, en die misschien blijvend stopgezet kan worden door de kunst. Ze zoekt het thema op in de kunst, literatuur, mythologie en wetenschap, haar voorstellingswerelden. In haar laatste bundels neemt het tijdsthema steeds meer de vorm aan van het thema van de dood, zoals in Innisfree (2007):

Wij eten samen, groente, wat vis,

bij glanzende wijn uit een mooi oud glas

omdat het voor één keer, de laatste keer, is

nu alles was zoals alles was.

De centrale plaats van het thema van de dood in haar oeuvre komt ook duidelijk tot uiting in het door haar herhaaldelijk beoefende genre van het 'tombeau' of grafgedicht. In de verzamelbundel Onyx (1983) stonden twaalf grafgedichten voor Kira van Kasteel, de vertaling van John Miltons epitaaf voor Lycidas, de grafgedichten voor Jan Grooten en Charlotte Köhler en het ontroerend afscheid van een dier, Leven en dood van de hamster.

Christine D'haen leest 'Leven en dood van de hamster'

Paul De Wispelaere over zijn ontmoeting met Bérénice
Paul De Wispelaere leest 'Grafgedicht voor Bérénice' van Christine D'haen

Een ander interessant voorbeeld van een grafgedicht in het werk van Christine D'haen is het Grafgedicht voor Bérénice. Dat gedicht schreef ze ter herinnering aan Bérénic Dhondt, een van haar leerlingen met wie ze ook later nog contact onderhield.

D'haen beschouwde het grafgedicht niet als een manier om troost of rouw uit te drukken, maar als een manier om de overledene te vereeuwigen in een "monument in woorden". Zelf schreef ze daarover in een brief van 10 maart 1985 aan Paul Claes: "Het grafgedicht voor Bérénice. Ik wilde ... wat? Een Tombe maken, een grafwerk van woorden, maar woorden als steen voor een zerk. Maar die Tombe moest ook haar zijn, dat uniek wezen dat maar éénmaal op aarde is voorgekomen, en het moest ook de wereld rondom, de winter en de sneeuw bevatten." (citaat uit Paul Claes: 'De kwadratuur van de Onyx', Dimensie, 1996

<-- [Videofragment uit de reeks "Schrijvers in Beeld: Christine D'haen" (Literatuurmuseum Den Haag, 1993)]

Evolutie

Bijna elke periode in het dichtwerk van Christine D’haen is afgesloten door een verzamelbundel. De nog heel existentieel-referentiële en formeel-klassieke poëzie werd verzameld in haar debuutbundel Gedichten 1946-1958 (bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs). Deze en daarop volgende barok-maniëristische en talig-beschrijvende gedichten vonden een onderkomen in Onyx (1983), een ruime definitieve keuze die aangevuld werd met nieuwe gedichten. Een kleine twintig jaar later werden al die gedichten opnieuw bijeengebracht in Miroirs, waarin vier ondertussen verschenen bundels opgenomen werden. De gedichten erin zijn filosofischer van inhoud en hun brokkelige vorm wordt samengehouden door een uiterlijke strengheid van vorm.

Cover 'Gedichten 1946-1958'
Cover 'Onyx'
Cover dichtbundel 'Miroirs'
Christine D'haen leest het gedicht 'Son-net' uit de bundel Merencolie

Fragment uit de reeks "Schrijvers in Beeld: Christine D'haen" (Literatuurmuseum Den Haag, 1993).

In het laatste decennium van haar leven greep D’haen ook terug naar de strenge vorm van het sonnet, componeerde zij cycli met gedichten van een variabele lengte en langere gedichten. Van een van de meest klassieke dichteressen werd ze zelfs de meest experimentele. Weliswaar werd de vaste vorm zelden verlaten, maar daarbinnen overtrad ze de wetten van de grammatica vooral met inversies en ellipsen, paste ze de intertekstuele collage van citaten toe, speelde met pastiche en vertaling, en mengde mythologieën en religies.

<--[Videofragment uit de reeks "Schrijvers in Beeld: Christine D'haen" (Literatuurmuseum Den Haag, 1993)] 

Het proza van Christine D’haen

D’haens autobiografische werk stond altijd in de schaduw van het dichterlijke maar vormt er de noodzakelijk complement van. Het laat niet alleen de achtergrond zien van vooral de vroegere gedichten, maar schept ook het referentiekader – vooral de beeldende kunst – van de latere (de poëzie na Onyx, 1983). Uitgespaard zelfportret (2004) is de geschiedenis van een tijd, een familie, een persoon en een oeuvre. Het verzamelt elf autobiografische boeken, waarvan er vier niet eerder gepubliceerd werden.

Cover 'Uitgespaard zelfportret. Verzameld proza'
cover 'De wonde in 't hert, een dichtersbiografie'
Cover 'De spiegel van Alexander'
Cover 'Het schrijverke' - Christine D'haen

Het essayistische werk van Christine D’haen

Naast gedichten en proza bevat het oeuvre van D’haen ook essays, kritieken en een biografie van Gezelle, De wonde in ’t hert (1987). Deze 'dichtersbiografie’ staat veraf staat van de klassieke biografie maar is eerder een gewaagd essay en een goudmijn voor verdere studie.

D’haens essayistisch werk bestaat verder uit een verzameling artikelen over dezelfde Gezelle, Het schrijverke (1997). Met een keuze uit de vele ongepubliceerde opstellen stelde ze nog een heel persoonlijk essayboek samen – De spiegel van Alexander -, dat postuum bij de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren in Gent is verschenen in 2013.

‘Zoveel gekeken, zo weinig gezien’, D’haen en de beeldende kunst

Kunst was voor Christine D’haen de plaats waar de Schoonheid naar voren trad. Hoe sterk de band was tussen de dichter en de plastische kunst blijkt uit de aantekeningen in Ars longa, dat deel uitmaakt van Uitgespaard zelfportret. Ook de reisnotities uit Schouwtoneel (1994) getuigen van haar niet aflatende belangstelling voor de beeldende kunst.

In Mirages (1989) kwam voor het eerst de beeldende kunst op het voorplan, met vier gedichten die schilderijen van oude meesters beschrijven. De latere bundels Morgane (1995), Dodecaëder (1998) en De beker van Djamsjied (2011) bevatten telkens cycli die schilderijen of beeldhouwwerken als vertrekpunt namen. Die moeten als het ware bij het gedicht gedacht worden, zodat blijkt hoezeer zij nu eens het schilderij getrouw volgen, dan weer het als aanleiding nemen voor een eigen overdenking.

[Videofragment uit de reeks "Schrijvers in Beeld: Christine D'haen" (Literatuurmuseum Den Haag, 1993)]-->

Christine D'haen leest 'La mort de Sardanapale'

Videofragmenten uit de reeks "Schrijvers in Beeld: Christine D'haen" (Literatuurmuseum Den Haag, 1993)

Citaat uit Uitgespaard Zelfportret (Meulenhoff, 2004)

"Want alle kunsten hebben gemeenschappelijke factoren: het vormgeven aan materie, wat spirituele gegevens incarneert. Die spirituele gegevens zijn ervaringen, gedachten, gevoelens, – maar die zijn op zichzelf niet artistiek. Het wezenlijk artistieke is de vormgeving. De psychische gegevens worden zelf al artistiek gevormd, en in materie (steen, aarde etc., ruimte, licht, klank van materie, tijd, fysieke beweging, beeld etc.) met verhoudingen, kleuren, taal etc. vorm gegeven.      De weergave van de realiteit, de kunde, de gevoelens etc. zijn middelen. Uitsluitend specifiek artistiek is de vormgeving van iets, of beter: de vormgeving van veel tegelijk. Dat vele manifesteert zich als vorm."

Christine D'haen leest 'Bureau de coton à la Nouvelle-Orleans', Edgar Degas, 1873

Over D’haens gedichten in vreemde talen, vertalingen van Gezelle en Slauerhoff

Videofragmenten uit de reeks "Schrijvers in Beeld: Christine D'haen" (Literatuurmuseum Den Haag, 1993)

Vertalingen

D'haen dichtte niet alleen in het Nederlands. Door haar vertalingen van Guido Gezelle en Jan Hendrik Leopold droeg zij bij tot de Engelstalige poëzie. Omgekeerd vertaalde zij John Milton en John Donne in het Nederlands en verklaarde zij zich een bewonderaarster van Edmund Spenser, Robert Browning en Edna St. Vincent Millay. Haar bewondering voor Dante en voor Joyce leidde tot verrassende herdichtingen van zowel de Divina commedia in Dantis meditatio (1998) als van Finnegans wake in Innisfree (2007), die een climax betekenen in haar experiment met taal en vers.

<-- [Videofragment uit de reeks "Schrijvers in Beeld: Christine D'haen" (Literatuurmuseum Den Haag, 1993)]