Vertegenwoordigers: Ferdinand Vercnocke

Ferdinand Vercnocke

Ferdinand Vercnocke

Gedicht 'Doodenklank' uit Westland - Ferdinand Vercnocke

Doodenklanck, Vercnocke

Vercnocke werd geboren in Oostende uit een geslacht van zeevaarders en scheepslieden. Zijn vader was een ervaren navigator op de Noordezee. Zijn gezin was gelovig en de avontuurlijke verhalen van zijn vader en grootvader dienden als inspiratie voor zijn latere schrijfwerk. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vluchtte het gezin Vercnocke het kanaal over. Hij volgde les aan een grammar school en daar kwam hij in contact met de Britse cultuur en hun emperialistisch verleden en hun liefde voor de zee. Die invloeden werden hem ook meegegeven door zijn vader. Hij interesseerde zich vooral in avontuurlijke verhalen en Oudgermaanse mythologie. Na de Eerste Wereldoorlog keert Vercnocke terug naar Oostende om daar zijn opleiding verder te zetten aan het Onze-Lieve-Vrouwecollege. Hij was er ook lid van de studentenbeweging.

Hij wordt tot op vandaag gezien als een boegbeeld van de culturele collaboratie, samen met Wies Moens. Na zijn dichtbundel Zeeland, vinden ook Heervaart en Koning Skold hun ingang in het literaire discours. In deze bundels ging het vooral over een levende volksgeest en de mythologisering van een oud, raszuiver volk. In de inleiding van Heervaart schetst hij zichzelf als een bijna christelijke figuur die een verloren volk op het rechte pad moet zien te brengen. Dat volk is volgens Vercnocke een volk dat eenheid nodig heeft in de vorm van een verenigd Dietschenland. Daarmee wordt meteen duidelijk dat hij gelooft in een gemeenschapsideaal dat terug wordt gekoppeld aan een Germaans verleden. De rol van de dichter als leidinggevend persoon wordt ook door een aantal onderzoekers bevestigd. Hij voert een opdracht uit in functie van een breder collectief. Toch is nuance geboden. Vercnocke was tegen een al te grote inmenging van de bezetter. Hij streeft naar een Vlaamse gemeenschap die haar bronnen vindt in de Germaanse cultuur en gebruikte de legitimiteit van de bezetter om die eenheidsgedachte in Vlaanderen te bewerkstelligen. Hij heeft het verder in de inleiding van Heervaert over ‘de Germanen, de Saksen en de Noormannen; zeevolkeren die vrij dienen te zijn en het Volk der Volkeren zijn’ (Vanfraussen, 94). Hij wilde zijn uitverkoren volk leiden met zijn gedichten. Hij gebruikt daarbij strijdkreten die hij naar eigen zeggen gehaald heeft uit zijn literatuur van de zeeslagen der Engelsen.